Wij zijn thuisonderwijzers, en geven sinds een aantal jaar thuisonderwijs aan ons minderjarige kind. Wij doen dat omdat wij bezwaren hebben tegen de (geloofs)richting van de scholen in onze omgeving. In de wet is dat geregeld middels artikel 5 sub b van de Leerplichtwet. Als het aan onderwijsminister Arie Slob ligt, gaat dat veranderen. Althans, de wettelijke regeling zoals die sinds 1969 geldt, moet wat hem betreft volledig op de schop en in dat kader werd een wetsvoorstel ingediend dat inmiddels ter consultatie is voorgelegd. Belanghebbenden zijn uitgenodigd om hun mening erover te geven. In dat kader heb ik vanuit mijn expertise als thuisonderwijzer en als jurist een opstel ingediend, dat de toets van een afstudeerscriptie zou kunnen doorstaan. Al zeg ik het zelf. De volledige tekst van mijn antwoord op de internet consultatie kun je downloaden als pdf.
Heeft Nederland eigenlijk wel vrijheid van onderwijs? Bij deze vraag had ik tot nu toe nog nooit stilgestaan. Het leek mij een vanzelfsprekendheid. Natuurlijk hebben wij in Nederland vrijheid van onderwijs. Dat is toch een grondrecht? Of je nou Nederlands Hervormd, atheïst of Islamiet bent, je kunt altijd wel een school vinden die jouw religie of levensovertuiging in zijn grondbeginselen heeft opgenomen. Toch? Nou, niet helemaal.
Op de website van de Rijksoverheid lezen we het volgende:
De vrijheid van onderwijs is een grondrecht. Iedereen mag een school oprichten die past bij de eigen religieuze, levensbeschouwelijke of onderwijskundige overtuiging (artikel 23 Grondwet). Scholen moeten wel aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals een minimum aantal leerlingen. Ouders bepalen zelf of zij hun kind naar een openbare school of een bijzondere school laten gaan. Beide type scholen ontvangen geld van het Rijk.
Iedereen mag dus een school oprichten die past bij de eigen levensbeschouwelijke overtuiging. Dat klinkt goed. Maar het blijkt in de praktijk niet helemaal waar. Want hoe zit het bijvoorbeeld met boeddhisten die in Nederland een school willen oprichten? Je zou immers zeggen dat het boeddhisme een erkende levensovertuiging is. Maar niet volgens de Nederlandse overheid. Dat ondervond de Mandalaschool in Amsterdam, een boeddhistische basisschool in oprichting. Het lukte de Mandalaschool in 2010 om te worden toegelaten tot het plan van scholen van de gemeente Amsterdam. Dat besluit moest daarna worden goedgekeurd door de Minister van Onderwijs. Op basis van een advies van de Onderwijsraad wees de Minister (dat was destijds André Rouvoet van de Christen Unie) het besluit van de gemeente Amsterdam echter af. Met als gevolg dat de Mandalaschool – de eerste boeddhistische basisschool in Nederland – er voorlopig niet komt. Wat bracht de Onderwijsraad tot haar negatieve advies? Bij lezing van het rapport val je van de ene verbazing in de andere.
De Onderwijsraad erkent dat het boeddhisme een levensbeschouwing is. Dat is al heel wat, maar daarmee ben je er in Nederland nog niet. Want om als school erkend te worden, moet de levensovertuiging waarop de school is gebaseerd, zich in de Nederlandse samenleving als een ‘herkenbare stroming’ openbaren. De Onderwijsraad constateert dat het boeddhisme in Nederland zich niet als een herkenbare stroming openbaart. Het is de doorslaggevende reden om het boeddhisme niet te erkennen als levensovertuiging in de zin van de wet op het primair onderwijs. Met als concreet gevolg dat de Mandalaschool in Amsterdam niet kon worden opgericht. Dat was in oktober 2010. De Mandalaschool is tegen die beslissing in beroep gegaan bij de Raad van State, maar heeft die procedure wegens geldgebrek moeten stopzetten. Tot de definitieve oprichting van de eerste boeddhistische (lagere) school in Nederland is het dus niet gekomen.
De overwegingen van de Onderwijsraad zijn op zijn minst curieus te noemen. Zo merkt de Onderwijsraad op dat “…betrouwbare cijfers omtrent het precieze aantal boeddhisten ontbreken.” En verderop in het advies: “Er bestaan ook geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria om uit maken wanneer en op welke wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden.” De Onderwijsraad erkent wel – zij het schoorvoetend – dat er een Boeddhistische Omroep is en dat er boeddhistische geestelijke verzorgers in gevangenissen actief zijn, maar vindt dat “onvoldoende” om te spreken van een “waarneembare stroming”. Je zou er bijna de slappe lach van krijgen als dit niet zo ernstig was.
Zou de Onderwijsraad zich wel in het boeddhisme hebben verdiept? Weet de Onderwijsraad dat boeddhisten – in tegenstelling tot evangelisten – niet langs de deuren gaan om zieltjes te winnen? Dat zij geen kerken hebben waar elke zondagochtend de klokken worden geluid en preken worden gehouden? Dat boeddhisten zich nooit aan je opdringen, en je dus nooit zullen sommeren om nu stil te zitten in lotushouding, te starten met mediteren en aan niets te denken? Kennelijk mag je wel een school stichten die gebaseerd is op het geloof in een man die over water liep en opstond uit zijn graf, maar telt een levensbeschouwing die mensen stimuleert om zelf na te denken en niet klakkeloos alles maar van anderen aan te nemen, niet mee in de vaart der volkeren.
Helaas had de Mandalaschool niet voldoende financiële middelen om het beroep tegen deze beslissing door te zetten. Het valt te hopen dat de initiatiefnemers zich niet laten kisten en doorzetten, maar daar is veel geld voor nodig en het lijkt erop dat het niet is gelukt om dat bij elkaar te krijgen. Dat is jammer, want een kwestie als deze zou niet op deze manier mogen stranden. Ook boeddhisten hebben recht op hun eigen school. Zeker in een land dat vrijheid van onderwijs prominent in de Grondwet heeft staan.
Mijn eerste strafzaak herinner ik me nog als de dag van gisteren. En die herinnering betreft niet de aard van de zaak, of de cliënt die ik verdedigde, maar mijn eigen falen als jonge advocaat-stagiaire.
We schrijven een zonnige voorjaarsdag, ergens begin 1991. Vol goede moed wandel ik vanaf Amsterdam Centraal Station naar het Gerechtshof aan de Prinsengracht. Mijn patroon heeft mij verzekerd dat er niets mis kan gaan. Het dossier zit stevig onder mijn arm geklemd en in mijn hoofd repeteer ik de zinnen die ik straks moet uitspreken. De zitting is een formaliteit, aldus mijn patroon. De cliënt moet van de rechtbank weliswaar 30 dagen langer vast blijven zitten in afwachting van het definitieve proces, maar we hebben een sterke zaak, en het tegen die gevangenhouding ingestelde hoger beroep zou een appeltje-eitje moeten zijn.
In de advocatenkamer brandt de kachel, het is nog koud buiten, en de bode vertelt mij dat ik na de volgende zaak aan de beurt ben. Ik haal de kantoor toga uit het kluisje van ons kantoor en kleed mij aan. De bef is al een tijdje niet gewassen, daar moet ik toch een keer iets over zeggen. Ik krijg de kreukels er niet uit, en ik irriteer me eraan dat hij niet smetteloos wit is. Intussen neem ik nog een keer mijn aantekeningen door. Het ziet er allemaal goed uit. Mijn patroon had ongetwijfeld gelijk, aan deze zaak kan ik eigenlijk helemaal niets verpesten. Kat in het bakkie.
De raadsheren van het Gerechtshof zien er streng uit. De voorzitter heeft prachtige, wit golvende lange haren die over zijn kalende hoofd naar achteren zijn gekamd. Zijn helblauwe ogen kijken mij doordringend aan. Onlangs spraken we elkaar nog tijdens de jaarlijkse Gooische Advocaten Quiz. Het Gerechtshof Amsterdam doet elk jaar mee, en wil altijd winnen. Vorige maand verloren ze in de finale tegen een team van Hilversumse advocaten, en dat zat met name de voorzitter niet lekker. Het spookt onwillekeurig door mijn hoofd terwijl ik mijn pleidooi houd. Eigenlijk heb ik mijn papiertje niet nodig, want tijdens de treinreis van Bussum naar Amsterdam heb ik het zo ongeveer uit mijn hoofd geleerd.
Plotseling onderbreekt de voorzitter me. Hij wil weten of ik nou een beroep doe op ‘schorsing’ of ‘opheffing’ van de voorlopige hechtenis. Ik twijfel. Ja, wat was nou ook alweer de juiste benaming? Is er eigenlijk een verschil? Verdorie, ik weet het niet meer. De voorzitter buigt naar voren en trommelt ongeduldig met zijn vingers op de tafel, zijn ogen priemen dwars door me heen. In mijn ooghoeken zie ik onze cliënt verwachtingsvol, maar ook enigszins vertwijfeld, naar mij kijken. Ja, wat is het nou? Het klamme zweet breekt mij uit en wanhopig probeer ik tijd te rekken. Hevig verlang ik naar een luikje ergens beneden mij, zodat ik kan ontsnappen en hier nooit meer hoef terug te keren.
‘Schorsing!’ gok ik uiteindelijk.
De voorzitter van het Gerechtshof lijkt daarmee tevreden. Terwijl het zweet onder mijn toga naar beneden gutst, zie ik de cliënt opgelucht ademhalen. Ik rond het pleidooi af en besluit ter plekke dat strafrecht niet mijn ding is. Hoe de zaak uiteindelijk afliep ben ik vergeten. Wel weet ik dat de Prinsengracht er nog nooit zo mooi heeft uitgezien toen ik het Gerechtshof een kwartier later weer verliet.