Mijn eerste strafzaak herinner ik me nog als de dag van gisteren. En die herinnering betreft niet de aard van de zaak, of de cliënt die ik verdedigde, maar mijn eigen falen als jonge advocaat-stagiaire.
We schrijven een zonnige voorjaarsdag, ergens begin 1991. Vol goede moed wandel ik vanaf Amsterdam Centraal Station naar het Gerechtshof aan de Prinsengracht. Mijn patroon heeft mij verzekerd dat er niets mis kan gaan. Het dossier zit stevig onder mijn arm geklemd en in mijn hoofd repeteer ik de zinnen die ik straks moet uitspreken. De zitting is een formaliteit, aldus mijn patroon. De cliënt moet van de rechtbank weliswaar 30 dagen langer vast blijven zitten in afwachting van het definitieve proces, maar we hebben een sterke zaak, en het tegen die gevangenhouding ingestelde hoger beroep zou een appeltje-eitje moeten zijn.
In de advocatenkamer brandt de kachel, het is nog koud buiten, en de bode vertelt mij dat ik na de volgende zaak aan de beurt ben. Ik haal de kantoor toga uit het kluisje van ons kantoor en kleed mij aan. De bef is al een tijdje niet gewassen, daar moet ik toch een keer iets over zeggen. Ik krijg de kreukels er niet uit, en ik irriteer me eraan dat hij niet smetteloos wit is. Intussen neem ik nog een keer mijn aantekeningen door. Het ziet er allemaal goed uit. Mijn patroon had ongetwijfeld gelijk, aan deze zaak kan ik eigenlijk helemaal niets verpesten. Kat in het bakkie.
De raadsheren van het Gerechtshof zien er streng uit. De voorzitter heeft prachtige, wit golvende lange haren die over zijn kalende hoofd naar achteren zijn gekamd. Zijn helblauwe ogen kijken mij doordringend aan. Onlangs spraken we elkaar nog tijdens de jaarlijkse Gooische Advocaten Quiz. Het Gerechtshof Amsterdam doet elk jaar mee, en wil altijd winnen. Vorige maand verloren ze in de finale tegen een team van Hilversumse advocaten, en dat zat met name de voorzitter niet lekker. Het spookt onwillekeurig door mijn hoofd terwijl ik mijn pleidooi houd. Eigenlijk heb ik mijn papiertje niet nodig, want tijdens de treinreis van Bussum naar Amsterdam heb ik het zo ongeveer uit mijn hoofd geleerd.
Plotseling onderbreekt de voorzitter me. Hij wil weten of ik nou een beroep doe op ‘schorsing’ of ‘opheffing’ van de voorlopige hechtenis. Ik twijfel. Ja, wat was nou ook alweer de juiste benaming? Is er eigenlijk een verschil? Verdorie, ik weet het niet meer. De voorzitter buigt naar voren en trommelt ongeduldig met zijn vingers op de tafel, zijn ogen priemen dwars door me heen. In mijn ooghoeken zie ik onze cliënt verwachtingsvol, maar ook enigszins vertwijfeld, naar mij kijken. Ja, wat is het nou? Het klamme zweet breekt mij uit en wanhopig probeer ik tijd te rekken. Hevig verlang ik naar een luikje ergens beneden mij, zodat ik kan ontsnappen en hier nooit meer hoef terug te keren.
‘Schorsing!’ gok ik uiteindelijk.
De voorzitter van het Gerechtshof lijkt daarmee tevreden. Terwijl het zweet onder mijn toga naar beneden gutst, zie ik de cliënt opgelucht ademhalen. Ik rond het pleidooi af en besluit ter plekke dat strafrecht niet mijn ding is. Hoe de zaak uiteindelijk afliep ben ik vergeten. Wel weet ik dat de Prinsengracht er nog nooit zo mooi heeft uitgezien toen ik het Gerechtshof een kwartier later weer verliet.

![Aworks [Legal]](https://www.aworkslegal.com/wp-content/uploads/2014/04/cropped-headerfoto1.jpg)